|
Voor
een goed functionerend lichaam is het belangrijk dat er niet te weinig,
noch te veel glucose in het bloed zit. De hoeveelheid glucose in het
bloed varieert gedurende de dag. Een te hoge bloedglucosewaarde wordt
een hyperglykemie (een ‘hyper') genoemd een te lage een hypoglykemie
(een ‘hypo'). Onder normale omstandigheden komen er geen hypers of
hypo's voor.
De
bloedglucose is het laagst 's ochtends voor het ontbijt, als iemand
nuchter is. Voor meting van de bloedglucosewaarde wordt vaak bloed
onderzocht uit een vingerprik. Eventueel kan vervolgens onderzoek nodig
zijn van bloed dat van een ader is afgenomen. Het hieruit afgenomen
bloed wordt in het laboratorium gecentrifugeerd en de
glucoseconcentratie wordt gemeten in het plasma. De hier onder genoemde
bloedglucosewaarden gelden voor plasmawaarden Voor bloed bepaald met
behulp van een vingerprik gelden iets andere grenswaarden, maar sommige
apparaatjes geven automatisch de "omgerekende" waarde aan zoals die in
het bloedplasma zou zijn.
Normale bloedglucosewaarde
Bij
iemand zonder diabetes is de bloedglucose bij het opstaan gewoonlijk
onder de 5,6 mmol/l. Na het eten loopt de bloedglucosespiegel op, maar
niet verder dan 7,8 mmol/l. Mmol/l is de eenheid waarmee de waarde van
glucose in het bloed wordt aangegeven.
Gestoorde bloedglucosewaarde
Voeding,
medicijnen, lichamelijke activiteit en ziekte hebben invloed op de
bloedglucose. Iemand heeft diabetes mellitus als de bloedglucosespiegel
nuchter bij het opstaan, bij herhaling hoger is dan 7 mmol/l, of
wanneer de bloedglucose na het eten oploopt tot meer dan 11 mmol/l.
Zowel
de nuchtere als niet-nuchtere bloedglucosespiegel kan hoger zijn dan
normaal, maar lager dan de grens waarbij we spreken van diabetes. Dat
heet gestoorde glucosetolerantie, of in het engels Impaired Glucose
Tolerance (IGT). De bloedglucose is dan nuchter hoger dan 5,6, maar
lager dan 7 m/mol/l, cq niet-nuchter hoger dan 7.8 maar lager dan 11..
IGT wordt beschouwd als een voorstadium van type 2 diabetes .
|