Diagnose

Heeft iemand klachten die kunnen wijzen op diabetes, dan zal de huisarts het glucosegehalte van het bloed (laten) onderzoeken.

Diabetes of niet: vingerprik
Huisartsen meten meestal de glucose in capillair bloed. Dat is bloed uit een vingerprik. Het beste is dit te doen als iemand nuchter is. Dat wil zeggen: 8 uur voor de bloedafname geen calorieën via voedsel of drank heeft gebruikt. De uitslag (ervan uitgaande dat de glucosemeter "omgerekende" waarden geeft naar plasmaglucose):

  • De nuchtere glucosewaarde is normaal als deze lager is dan 5,6 mmol/l.
  • De nuchtere glucosewaarde is hoger dan 6,0 mmol/l: hoogstwaarschijnlijk is sprake van diabetes mellitus. Het bloedonderzoek wordt op een andere dag herhaald. Is de waarde dan opnieuw hoger dan 6,0 mmol/l, dan staat de diagnose diabetes mellitus vast.

De vingerprik wordt ook wel eens niet-nuchter afgenomen. In dat geval luidt de diagnose ‘diabetes' als er 2 maal een bloedglucose van hoger dan 11 mmol/l is gevonden. Een niet-nuchtere bloedglucose lager dan 7,8 mmol/l is normaal.

Te hoog glucose maar (nog) geen diabetes
Iemand kan ook een licht verhoogd bloedglucosegehalte hebben: hoger dan normaal, maar niet zo hoog dat de diagnose ‘diabetes' luidt. Dit wordt ‘gestoorde glucosetolerantie' genoemd, ofwel ‘Impaired Glucose Tolerantie (IGT)'. Er is sprake van IGT wanneer:

  • De nuchtere glucosewaarde (vingerprik) hoger is dan of gelijk is aan 5,6, maar lager dan of gelijk aan 6 mmol/l.
  • Niet-nuchtere waarden tussen 7,8 en 11,0 mmol/l kunnen wijzen op IGT. Er moet echter nuchter bloed geprikt worden, om dat te kunnen vaststellen.

IGT wordt beschouwd als een voorstadium van diabetes. Ongeveer de helft van de mensen met IGT krijgt binnen 5 jaar diabetes.

Aanvullend onderzoek
Staat de diagnose diabetes mellitus vast, dan volgt aanvullend onderzoek. Dat bestaat uit onderzoeken die in het vervolg regelmatig herhaald gaan worden. Dit heeft te maken met de gevolgen die diabetes kan hebben voor de conditie van het hart, de nieren, de ogen, het zenuwstelsel en de voeten (zie complicaties). Bij vervolgonderzoek wordt gevraagd naar de ziektegeschiedenis in de familie en de eigen ziektegeschiedenis. Verder bestaat het uit bepalen van het gewicht en de bloeddruk en onderzoek van bloed (nierfunctie, cholesterol en andere bloedvetten) en urine (op eiwit). Dit is van belang om risico's voor en de conditie van hart en nieren te kunnen vaststellen. De voeten worden bekeken en bevoeld en na verloop van tijd zal ook een onderzoek van het netvlies volgen.